Perspectief

Dat perspectief, waarom wordt daar toch altijd zo op gehamerd – vooral door deze redacteur?

Met perspectief bedoel ik voor alle duidelijkheid niet de ik- of hij-vorm, maar: door wiens ogen beleven we de scène of het verhaal? Dit kan één persoon zijn, dit kunnen meerdere personen zijn en het perspectief kan zelfs personage-overstijgend zijn.

Feit is dat veel aspirant-schrijvers geen bewuste perspectiefkeuze lijken te maken, waardoor de lezer bijvoorbeeld na een paar alinea’s plots in het hoofd van een ander personage terechtkomt. Dit kan en mag, maar ik wil dan altijd graag weten of de schrijver dit zo bedoeld heeft; vaak is dat niet het geval.

De schrijver die zich niet bewust is van dit wisselend perspectief is namelijk tevens niet bekend met de voor- en nadelen van een bepaalde perspectiefkeuze. Zo zal een spannende scène veel spannender zijn als de lezer enkel door de ogen van de rechercheur kan meekijken – óf juist door de ogen van de dader.

Het ‘niet weten’ wat er zich in het hoofd van een ander personage afspeelt verhoogt niet alleen de spanning maar tevens het realisme.

Stel, het perspectief ligt bij Julia (de lezer zit als het ware in haar hoofd) en er wordt op de deur gebonkt. Schrijf je:

Robert bonkte op de deur.

Julia schrok op.

‘Taart!’ riep hij terwijl hij z’n hoofd naar binnen stak.

Of:

Gebonk op de deur. Julia schrok.

‘Taart!’ riep Robert terwijl hij z’n hoofd naar binnen stak.

Het verschil lijkt subtiel maar als je de lezer net als Julia wilt laten schrikken, die immers niet door deuren heen kan kijken, noem je Robert pas bij naam als Julia hem ziet.