Op de sportschool snak ik soms naar een Enter.
Tijdens mijn minuutje rust tussen de oefeningen door lees ik meestal een paar pagina’s in een boek en dan wil ik graag een alinea afronden om bij het volgende rustminuutje direct bij de vólgende alinea verder te kunnen lezen, dus zonder lang te hoeven zoeken waar ik was gebleven. Sommige schrijvers hebben er echter een handje van om lange, veel te lange, alinea’s te gebruiken.
Dit is tevens een van de manco’s die ik in veel aspirant-manuscripten tegenkom: een massief blok tekst zonder alinea’s, waar de lezer geen houvast in kan vinden. Door echter hier en daar op Enter te drukken, in combinatie met (al dan niet automatisch) inspringen, geef je de tekst wat lucht en de lezer meer grip.
Wanneer je de tekst hardop leest, hoor je vanzelf wanneer het tijd is voor een nieuwe alinea: je haalt daar nét iets langer adem dan tussen twee bij elkaar horende zinnen.
Bij dialogen is het extra belangrijk om op de Enter-toets te drukken zodra een ander personage het woord neemt. Het gesprek is anders niet te volgen.
Zonder alinea’s krijgt een verhaal bovendien iets gehaasts, alsof iemand tegen je aan het praten is die niet onderbroken wil worden – en toen en toen en toen… Dat luistert en leest niet fijn.
Druk je tweemaal op Enter krijg je een witregel. Die zijn ook van belang, maar daarover meer in een volgend artikel.