Vijf (en een halve) manuscript-verbetertips

Ongetwijfeld heb ik onderstaande manuscriptverbetertips al eens in eerdere columns aangekaart, maar gezien ik er nog altijd veel tegenaan loop, deel ik ze hier nogmaals.

Tip 1: variëer met personagenamen. Manuscripten bevatten opvallend vaak op elkaar lijkende namen; Walter, Wallen en Watkins, bijvoorbeeld. Dat maakt de personages lastig uit elkaar te houden. Bij waargebeurde verhalen heb je vanzelfsprekend wat minder ruimte om af te wijken – al mag je het wat mij betreft fictie noemen om zodoende alsnog de namen te kunnen variëren.

Tip 2: de alinea-indeling. Door bijvoorbeeld de handeling of gezichtsuitdrukking van een personage direct voor het citaat te plaatsen, dus op dezelfde regel, maak je in één keer duidelijk wie iets zegt:

Fred keek bedrukt. ‘Wat is er?’

Als het citaat niet uit Freds mond komt, plaats je het op een volgende regel:

Fred keek bedrukt.

‘Wat is er?’ vroeg Amanda.

Tip 3: de verteltijd. Het is van belang dat je één verteltijd kiest per scène: de tegenwoordige óf de verleden tijd. Een andere scène, bijvoorbeeld een flashback of verteld vanuit een ander perspectief, kan prima in een andere tijd worden geschreven, mits je dit maar consequent houdt binnen dezelfde scène.

(Tip 3.5: schrijf zo veel mogelijk in de ónvoltooide tijd. Dus vroeg Amanda in plaats van had Amanda gevraagd.)

Tip 4: zet hardop uitgesproken woorden en zinnen tussen aanhalingstekens en laat deze bij gedachten weg. En nu er ook in verhalen steeds meer geappt wordt, adviseer ik appjes te cursiveren óf een eigen lettertype te geven. Elk geval zonder aanhalingstekens eromheen te plaatsen. Tip 5: het eerder genoemde perspectief. Perspectief komt neer op de vraag: door wiens ogen beleven we de scène? Een verkeerd gekozen perspectief kan zelfs het sterkste verhaal in een saaie leeservaring veranderen.