Janet wordt tijdens een politieverhoor onterecht beschuldigd en haar mondige advocaat zit erbij maar zegt niets? De jongeman die we als amicaal hebben leren kennen begint plots een serveerster af te snauwen? Een autoritaire baas die voorzichtig vraagt of hij even mag storen?
Personages kunnen net als echte mensen meerdere gezichten hebben, dus dit tegenstrijdige gedrag kan zo bedoeld zijn door de auteur. Maar om te voorkomen dat de lezer hieraan gaat twijfelen, kan het handig zijn om een ‘constaterend personage’ in je verhaal op te nemen. Iemand die constatéért dat het vreemd is dat die advocaat niets zegt, dat die jongeman en baas blijkbaar twee gezichten hebben. Denk bijvoorbeeld aan een rechercheur die het verslag van Janets verhoor naleest, constateert dat die advocaat wel heel weinig van zich liet horen en dit als verdacht beschouwt. De lezer kan dan zijn twijfels loslaten: Ik dácht al, wat vreemd…
Idealiter is het constaterend personage de protagonist, maar wie weet is hij of zij juist degene die tegenstrijdig gedrag vertoont. Dan heeft de lezer een ander personage nodig om dit vermoeden bevestigd te krijgen. Het constaterende personage is zeker geen alwetende verteller en zal nu en dan moeten gissen, maar elk geval kan diegene de lezers geruststellen dat ze het toch echt goed hebben gelezen; dat dit gedrag inderdaad tegenstrijdig of vreemd is.
Een recent voorbeeld: ik redigeerde een verhaal waarin overleden personages zonder uitleg ineens weer op het toneel verschenen. Het kwam allemaal nogal bizar en hallucinant over, maar doordat de protagonist het vanzelfsprekend leek te vinden, begreep ik niet goed of het ook zo bedóéld was door de auteur. Een constaterend personage had dit kunnen relativeren; die zou de twijfels van de lezer (en de redacteur) kunnen verwoorden (‘Hé, was jij niet kassiewijle?’)
Let wel: zelfs een constaterend personage kan een piepend en krakend verhaal niet fixen.