Vertelvormen

Tegenwoordige of verleden tijd? Eerste of derde persoon? Wat je ook kiest, houd hier consequent aan vast. En niet onbelangrijk: kijk welke vertelvorm het best werkt voor jouw verhaal.

Gebruik je veel flashbacks? Dan kun je het hoofdverhaal in de tegenwoordige tijd schrijven en de flashbacks in de verleden tijd (maar dit is geen must).

Laat je je personages veel twijfelen en mijmeren? Dan kan de derde persoon (oftewel de hij-vorm) voorkomen dat gedachten onnatuurlijk overkomen: Ik twijfel of ik… (eerste persoon) vs. Hij twijfelt of hij… (derde persoon). Al kun je dit ook voorkomen door de eerste persoon te combineren met schrijven in de verleden tijd: Ik twijfelde of ik…

Maar let op: wil je het perspectief bínnen het hoofdstuk van personage laten wisselen, dan ben je ‘verplicht’ in de hij-vorm (derde persoon) te schrijven. De ik-vorm pint het perspectief automatisch vast aan één personage.

Schrijf overigens zo veel mogelijk in de ónvoltooid verleden/tegenwoordige tijd. Bij zinnen in de voltooide tijd kun je vaak het dodelijk saaie ‘blijkbaar’ denken: De man was (blijkbaar) in het water gevallen en verdronken. Goh, vervelend.

Tip

Schrijf je eerste pagina(’s) zowel in de verleden als tegenwoordige tijd en zowel in de eerste als derde persoon om te zien wat het best werkt. Of vraag mij om advies, liefst nog voordat je de rest van je manuscript gaat schrijven.

Tip 2

Geef, indien je meerdere perspectieven toepast, eventueel elk perspectief zijn eigen vertelvorm. Personage A: Als ik aan kom lopen zie ik… Personage B: Toen hij aan kwam lopen zag hij… Het kan de lezer helpen de personages uit elkaar te houden. Zie bijvoorbeeld Peter Buwalda’s Bonita Avenue en Harlan Cobens Naar huis.

 

(Nog vragen? Stel ze gerust, dan verwerk ik ze in mijn tips.)