Vertelvormen

Of je nu in de eerste (ik-vorm) of derde persoon (hij/zij-vorm) schrijft, of in de verleden of tegenwoordige tijd, wees hier consequent in. Anders ontstaan er fouten als:

Ik loop naar de toonbank. ‘Mag ik nog een koffie?’

Eenmaal terug aan zijn tafel bekijkt hij… (Waarbij ‘ik’ en ‘hij’ één en dezelfde persoon is.)

Of:

Hij liep naar de toonbank. ‘Mag ik nog een koffie?’

Eenmaal terug aan zijn tafel bekijkt hij… (Van verleden naar tegenwoordige tijd.)

In enkele gevallen mag je van de vertelvorm afwijken:

– Flashbacks mogen – maar hoeven niet – in de verleden tijd, terwijl je het verhaal zelf in de tegenwoordige tijd vertelt. Ook andersom zou kunnen, als je het maar consequent doet.

– Zelfspraak zet je altijd in de tegenwoordige tijd, ook als de verhalende tekst in de verleden tijd staat. Het zijn in wezen citaten zonder aanhalingstekens. Voorbeeld: Het zal mij benieuwen, dacht hij.