Perspectief

Voordat je je verhaal gaat opschrijven dien je eerst te bepalen door wiens ogen, dus via welk personage, je de lezer laat meekijken. Wie aanschouwt er en ervaart er en wat vindt hij/zij hier vervolgens van? Oftewel: het perspectief.

In het perspectief schuilt wat mij betreft de kracht van een boek: je kunt de lezer gedachten laten lezen, iets wat in het dagelijks leven niet mogelijk is en waarvoor in films vaak ‘verplichte’ dialogen of een voice-over worden gebruikt. Tevens helpt het perspectief de lezer het personage te leren kennen, doordat je niet alleen beschrijft wat hij zegt en doet, maar tevens wat hij denkt en voelt. (Zie het Frits-voorbeeld.)

Let wel: je kunt enkel de gedachten en gevoelens van het personage bij wie het perspectief ligt blootgeven.

Om dezelfde scène vanuit verschillende hoeken te belichten kun je meerdere perspectieven toepassen. Gebruik dan bij voorkeur één perspectief per hoofdstuk of tot aan de volgende witregel.

Wil je meerdere perspectieven afwisselen binnen hetzelfde hoofdstuk? Dan kun je de ‘alwetende verteller’ inzetten. Deze aanschouwt als het ware alles wat er gebeurt, inclusief de gedachten en gevoelens van álle personages. Beperk je dan wel tot één perspectief per alinea (= alle tekst voordat je op <Enter> drukt), zodat het voor de lezer duidelijk blijft door wiens of wier ogen hij meekijkt.

Tip

Door middel van het perspectief kun je de lezer dus deelgenoot maken van wat een personage denkt en voelt, maar dit betekent niet dat hij of zij ook álles hoeft te delen. Veel (thriller)personages laten de lezer, ondanks het perspectief, niet het achterste van hun tong zien; hierdoor weet de lezer alleen dát ze wat van plan zijn, maar vaak niet wat of waaróm. Bijvoorbeeld: Ze moest eens weten wat haar thuis te wachten stond. Zo kun je mysterie en spanning creëren.

 

(Nog vragen? Stel ze gerust, dan verwerk ik ze in mijn tips.)