Overige tips

Gedachtenotatie

Plaats geen aanhalingstekens rond gedachten; die zijn voor citaten bedoeld.

Schrijf: Ik moet nog zo veel doen vandaag, dacht ze. Of: Ze moest nog zo veel doen vandaag.

Maar niet: ‘Ik moet nog zo veel doen vandaag,’ dacht ze (tenzij ze in zichzelf praat).

Ge-jij en ge-jouw

Gebruik waar mogelijk ‘je’ in plaats van ‘jouw’ of ‘jij’, ‘ze’ in plaats van ‘zij’ en ‘me’ in plaats van ‘mij’.

Dus liever: Ze heeft me gevraagd op je jas te letten, in plaats van: Zij heeft mij gevraagd op jouw jas te letten. Anders klinkt het alsof je de achterste rij in een theater met slechte akoestiek wilt bereiken.

Vertel niets dubbelop

Vertel de lezer niet iets wat hij al eerder heeft kunnen lezen. Als je personage een ander personage op de hoogte brengt, volstaat: Henk vertelde Gerard wat hij eerder die dag had ontdekt. Mocht de lezer dit nog níét weten, kun je hier zowel de lezer als Gerard op de hoogte brengen; dan ‘gebruik’ je hun gesprek om de lezer te informeren. Dit is geen ‘show’, maar scheelt je wel een boel ‘tell’.

Schakel kritische lezers in

Ik durf zonder met mijn ogen te knipperen te beweren dat de eerste versie van een manuscript altijd plotfouten, tegenstrijdigheden, onduidelijkheden en andere ‘struikelpunten’ bevat. Een redacteur kan je hierop wijzen, maar kan ze niet oplossen: het is immers jouw verhaal. Bovendien zorgen dit soort struikelpunten ervoor dat je redacteur andere fouten over het hoofd ziet.

Tip – nee, een must: laat je manuscript áltijd proeflezen, liefst door een objectieve (dus niet bevriende/verloofde/gehuwde/genetisch verwante) lezer, voordat je je redacteur ernaar laat kijken.

 

(Nog vragen? Stel ze gerust, dan verwerk ik ze in mijn tips.)