Dialoognotatie

Plaats de leestekens binnen de aanhalingstekens, laat per alinea één personage aan het woord en zorg dat duidelijk is wíé, bijvoorbeeld door middel van ‘zegt hij/ze’.

In het volgende voorbeeld is het voldoende om alleen in de eerste regel te melden wíé het zegt (Frits’ vrouw). Door elke reactie op een volgende regel te zetten, blijkt vanzelf wie er aan het woord is.

‘Het is nou niet bepaald een boodschappenbriefje,’ zei Frits’ vrouw.

‘Echt, dat briefje was vast niet voor mij bedoeld.’ Hij voelde een zweetdruppel langs zijn slaap glijden.

‘Hoe kwam het dan in jouw jas?’

‘Op de club zijn er vast meer met deze jas, en…’

‘En die ook Frits – pardon, “lieve Frits” heten?’ (Gebruik dubbele aanhalingstekens alleen bínnen enkele.)

Even een stapje terug naar het perspectief: doordat deze scène vanuit Frits’ perspectief is geschreven (vanwege Hij voelde…), kun je tevens zijn gedachtewereld blootgeven.

‘En die ook Frits – pardon, “lieve Frits” heten?’

Godsamme, hij had Eloïse nog zo gevraagd hem met rust te laten. Het was een vergissing. Een eenmalige, dronken vergissing. Moest hij nu verdomme op zoek naar een nieuwe voetbalclub? En zou ze hem dan wél met rust laten?

Terug naar de dialoognotatie: om de volgende opmerking uit de juiste mond te laten komen – de 1-2-1-2-cyclus is immers doorbroken door Frits’ overpeinzing – dien je zo snel mogelijk de spreker te noemen. Dus:

‘Luister,’ zei Frits/Frits’ vrouw, ‘…

Of:

Frits/ Frits’ vrouw zei: ‘Luister, … (Deze schrijfwijze heeft zelfs mijn voorkeur bij gesprekken met meer dan twee personen.)

Als Frits het woord neemt, kun je er ook voor kiezen het citaat direct achter zijn overpeinzing te plaatsen. Het, uhm, spreekt dan voor zich wie er spreekt:

wél met rust laten? ‘Luister, …

 

(Nog vragen? Stel ze gerust, dan verwerk ik ze in mijn tips.)