Perspectief

Schrijf je in de ik-vorm (zie #vertelvorm), dan ligt het perspectief automatisch bij de ik-verteller, maar in de hij/zij-vorm is het zaak zo vroeg mogelijk in het verhaal of hoofdstuk te laten blijken bij welk personage het perspectief ligt.

De volgende zin plaatst het perspectief bij Marco (die heel graag indruk op Valerie wil maken):

Marco kon zich wel tegen zijn kop slaan: geen koffiebonen meer! En hij had Valerie zojuist een latte beloofd ‘zoals je die nog nooit hebt geproefd’.

Zou de zin daarop de zintuiglijke ervaringen en/of gedachten van Valerie beschrijven (Ze vroeg zich af wat hij stond te treuzelen, bijvoorbeeld) zou ik dit als perspectieffout markeren. Valerie wordt namelijk ‘beperkt’ door wat Marco kan waarnemen of denken.

Wil je vanuit Valeries perspectief vertellen, dien je dit in een volgend hoofdstuk óf na een witregel te doen. Maak de lezer dan zo snel mogelijk duidelijk dat hij nu door Valeries ogen kijkt en met haar mond proeft:

‘Lekker, dank je,’ zei ze. Marco zei niets. Was hij nou chagrijnig?

Ze nam een slokje. En nog een slokje. Maar ze proefde niets anders dan warme melk.

Dialoognotatie

Door ieder personage op een nieuwe regel te laten spreken, hoef je niet elk citaat op ‘zei hij/zij/et cetera’ te laten eindigen. Bijvoorbeeld:

‘Zullen we zo een filmpje pakken?’ vroeg Henk.

‘Ik wil eigenlijk verder lezen, schat,’ zei Dinie zonder op te kijken van haar boek. ‘Heb hem bijna uit.’

‘Hmm, ik vraag de jongens wel.’

‘Die hebben morgen tentamen, schat.’

In scènes met drie of meer personages kan ‘zei hij/zij/et cetera’ vaker nodig zijn om te voorkomen dat de lezer de draad kwijtraakt, tenzij het personage makkelijk te herkennen is aan zijn of haar manier van spreken (‘schat’).